BAÄL
Semietische God
(Hebr.: heer, bezitter), ook Bel, Beël.
Boven: Baäl op een reli ëf uit Oegarit (Syrië)
Parijs Louvre
Een in alle Semitische talen voorkomende aanduiding van de godheid: de goddelijke macht die zich op een of andere plaats manifesteerde,heette de baäl van die plaats (de baäl van een bron, berg, bos of een stuk land). Ook de god die in een bepaalde stad vereerd werd, werd vaak niet met zijn eigenlijke naam aange-duid, maar als baäl van die stad, b.v. Baäl-Hazor, Baäl-Perazim enz. Daarnaast is baäl tot eigennaam geworden: voor Babylonië: Bel.
Egyptische teksten gebruiken sedert het einde van de 18e dynastie het woord eveneens als eigennaam; evenzo het Oude Testament in verband met de baäl wiens dienst door Achab, wordt gepropageerd. De lokale en de meer universele voorstellingen hebben waarschijnlijk steeds naast elkaar gestaan.
Het karakter van Baäl, zoals wij dat uit het Oude testament kennen, wijst op een vruchtbaarheidsgod. Dat Israël na de verovering van Kanaän deelnam aan deze cultus sprak welhaast vanzelf. De god des lands moest, zo meende het volk, vereerd worden, wilde men deel hebben aan zijn zegeningen. Maar de echte Jahwedienaren beschouwden dit als afval. Toen de strijd, die onder Achab acuut was geworden (Elia), geëindigd was (1 Kon.18) met een overwinning van Jahwe op Baäl Karmelos (wiens cultus hiermee echter niet ophield, zoals klassieke bronnen bewijzen), deed het gevaar zich weer in een geheel nieuwe vorm voor. Het volk diende nu wel Jahwe, maar op een wijze alsof hij Baäl was, d.w.z. met miskenning van Jahwe’s zedelijke karakter en met gebruikmaking van de naturalistische vormen van de Baäldienst. Daartegen gaat het protest van de grote profeten. de afschuw die in hun kringen en onder hun volgelingen tegen de baäl werd gevoeld kwam tot uiting in de verandering van dit woord in bosjet, schande.
Intussen werden de lokale vormen en namen niet alleen naar de plaats van hun verblijf genoemd, maar ook naar de speciale wijze waarop hun macht zich manifesteerde, zoals Baäl zeboel, Baäl de vorst (?)
(In 2. Kon. 1,2 vlg. verbasterd tot Baäl zeboeb, heer der vliegen); Baäl hammon, de heer van het reukaltaar (een vegetatiegod ?); Baäl berith, de heer (beschermer) van het verbond, Baäl sjamen, de heer des hemels, in de laatste eeuwen voor onze jaartelling de naam voor de hoogste god in het nabije Oosten, geïdentificeerd met Zeus, Baäl-Biqah (de god van Baalbek). In Carthago komt de naam voor in de vorm Bal, die o.a. een bestanddeel vormt van persoonsnamen als Hannibal, Hasdrubal enz.
Onder: Beeldje afkomstig uit de dodenstad van Ras Sjamra, het oude Oegarit (Syrië), is van brons met ingelegd goud. Het zilveroplegsel van het lichaam en de specifieke atributen van de godheid zijn verdwenenen. (Parijs Louvre)
Literatuur:
M.J.Mulder,
Ba'al in het Oude Testament (diss.1962).
H.Gese e.a.,
Die Religionen Altsyriens, Altarabiens und
der Mandaër (1970)