Personal tools
You are here: Home A Ain - Ajz AISCHYLOS
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

AISCHYLOS

by admin last modified 2007-03-15 11:45 PM

Grieks treurspeldichter (525-456 v.C)

* 525 v.C. Eleusis - † 456 v.C. Gela (Sicilië)


zoon van Euforion uit Eleusis. Aischylos was de oudste der drie grote Attische tragici. Hij streed mee in de slagen bij Marathon en Salamis. Van het eerste spreekt zijn grafschrift; de overwinning bij Salamis heeft hij in zijn tragedie De Perzen vereeuwigd (472), evenals zijn oudere tijdgenoot Frynichos. Hij stelde het eerst twee toneel- spelers naast het koor en is dus de schepper van de dramatische dialoog. In zijn laatste stukken brengt hij dat aantal, naar Sofokles' voorbeeld, op drie. Toch vormen de koorliederen, waarin Aischylos zich als indrukwekkend lyricusdoet kennen, een essentieel bestanddeel van zijn drama's; in de Smekelingen zijn zij overheersend. Kort voor of na de opvoering van zijn Perzen bezocht hij Sicilië, waar hij voor Hiëro, de heerser van Syracuse, de niet bewaard gebleven Vrouwen van Aetna schreef. Van onzekere datum is de Geboeide Prometheus (volgens sommigen niet van Aischylos). Van de in 467 door hem opgevoerde tetralogie zijn de Zeven tegen Thebe bewaard. Tot volledige ontplooiing komt de kunst van Aischylos in de Oresteia getitelde trilogie: Agamemnoon, Choëforoi, Eumenidai, van 458. Kort daarna is de dichter opnieuw naar Sicilië gereisd, waar hij is overleden. Schuld en boete staan in het middelpunt van de tragedies van Aischylos. Door overmoed vervalt de mens tot misdaad; de vloek, die hij daardoor op zich laadt, wordt aan hemzelf of zijn nakomelingen gewroken; de goddelijke gerechtigheid kan in het eind verzoening schenken. De taal van Aischylos is plechtig, fors, zeer beeldrijk, doch soms te hoogdravend.

Uitgave met commentaar door Groeneboom (1928 enz.); met Franse vertaling door Hazon (Parijs 1920 en herdr.). Nederlandse vertaling Burgersdijk; Boutens.

LITT. G. Murray, Aischylos the creator of tragedy (1940); F.R. Earp, The style of Aeschylus (1948); J. de Romilly, La crainte et l'angoisse dans Ie théatre d'Eschyle (1958); M. Werre de Haas, Aeschylus' Dictyulci (1961); D. van Nes, Die maritime Bildersprache des Aischylos (1963); J.C. Kamerbeek, Aspecten van de tijd in de Griekse tragedie; speciaal bij Aeschylus (1963); W. Kiefner, Die religiose Allbegriff des Aischylos (1965); C. Guelke, Mythos und Zeitgeschichte bei Aischylos (1969); W. Roesier, Reflexe vorsokratischen Denkens bei Aeschylos (1970). J. Duroortier, Les images dans la poésie d'Eschyle (Parijs 1935). G. Murray, Aeschylm, the creator of tragedy (Oxford 1940). J. de Romilly, La crainte et l'angoisse dans Ie thélitre d'Eschyle (Parijs 1958). A. Lesky, Die griechische Tragijdie (Stuttgart 19582). J.C. Kamerbeek, Aspecten van de tijd in de Griekse tragedie; speciaal bij Aeschylus (Amsterdam 1963). H.J. Dirksen, Die Aischyleische Gestalt des Orest und ihre Bedeutung für die Interpretation der Eumeniden (Neurenberg 1965).

U. Fischer, Der Telosgedanke in den Dramen des Aischylos; Ende, Ziel, Erfüllung, Machtvollkommenheit (Hildesheim 1965). -W. Kiefner, Die religiose Allbegriff des Aischylos, Untersuchungen zur Verwendung von pan, panta, pantes und dergleichen als Amdrucksmittel religioser Sprache (Hildesheim 1965). L. Golden, In praise of Prometheus; humanism and rationalism in Aeschylean thought (Chapel Hill, North- Carolina, 1966). A.J. Podlecki, The political background of Aeschylean tragedy (Ann Arbor 1966). C. Guelke, Mythos und Zeitgeschichte bei Aischylos; die Verhilltnis von Mythos und Historie in Eumeniden und Hiketiden (Meisenheim a/d Glan 1969).

G. Grossmann, Promethie und Orestie; attischer Geist in der attischen Tragijdie (Heidelberg 1970). W. Roesier, Reflexe vorsokratischen Denkens bei Aeschylos (Meisenheim a/d Glan 1970).
 

"IN ONTZAG HOUD RECHT’S ALTAAR….”
Van de jonge wereldorde Staat ophanden. De ommekeer,
Wanneer straks de zege haalt 't Schadepleit
Van dees moedermoordenaar.
Aanstonds zal dit feit al stervelingen Samenspannen
In lichthandige misdadigheid. Leed oneindig voegt het toe,
Door de kindren aan de ouders, Van handtastelijke wonden
In de tijd van nu aan.
 
Want de wreeksters die tot nu
't Mensdom in haar toezicht hielden,
Naakt of raakt geen wrok meer om
Zulke daden.
Elke doodslag laat ik gaan.
De één klaagt hier en de ander daar
Wat hij van zijn naaste bloed leed,
Vraagt naar aflaat, vraagt naar leen'ging –
Met heelmiddlen die niet baten,
Troost die zelf rampzalig is.

Laat, geslagen door het onheil, Niemand roepen,
Niemand zulk een woord verluiden: Waar is Recht,
Waar de troonstoel der Erinyen ?
Zó allicht zal versgekrenkt
Menig vader, menig moeder Deernis-jammren als eenmaal
't Huis van Recht ligt neêrgehaald.

Veeltijds afschrik heilzaam werkt
En verdient te blijven zeetlen Als toeziener van de geest,
't Heeft zijn nut
Wijs te worden onder zuchten.
Wie die voor geen enig ding
Kweekt zijn hart in vrezen op,
Staat of sterveling om 't even,
Zou nog Recht eerbiedigen ?

Roem het leven onbeheerd
Evenmin als slaafs-bemeesterd.
De overwinning
Geeft de godheid mede aan alles
Wat bewaart het zuiver midden; 't Andre houdt hij
Onder wiss'lend opzicht.
Spreuk hiermede eensluidig zeg ik:
Overmoed is 't echte kind bij Goddeloosheid;
Uit de vroom-gezonde geest
Wordt geboren de bij elk beminde
Veelmaals.afgesmeekte zegen.

Alles-samen zeg ik u:
In ontzag houd Recht's altaar; Nooit met goddeloze voet
Schop het weg uit winstbejag;  Want de boete blijft niet uit.

't Einde wacht met zijn bezeegling.
Daarom zij een elk als een
Die de eerbied voor zijn ouders hoog houdt,
En de inkeer van den gastvriend in zijn woning
Viert als heiIge plicht.

Hij die buiten dwang
Uit zichzelf rechtvaardig is, Zal niet ongezegend wezen;
Alrampzalig kan hij nimmer worden.
Maar de roekeloze schipper, zeg ik, Die aan boord voert
Onrechtmatig saamgesleepte rijkdom,
Haalt eerlang kwaadschiks zijn zeilen
Neer wanneer het noodweêr slaat in
Zijn versplinterde raas.

Hij roept naar die niet horen, middenin
De boos.beworstelbare wervel -
-De godheid lacht met den doldriesten man
Die nimmer iets voorvreesde, als hij hem ziet
In reddeloze ellenden wrakgeslagen;
Zijn aanloop haalt de kolkkam niet.
De vroegre levenslange welstand
Jaagt hij te pletter op Rechts rots:
Omkomt hij onbeweend en speurloos.

"MAAR ALS EEN LAMP STRAALTRECHT…… "
Nog gaat door 't land der mensen oud-bejaarde spreuk,
Dat van een man 't hoog uitgebloeid geluk
Zaad schiet en nimmer vruchtloos afsterft.
Maar dat al goede heil in 't end
In onheil alles overwoekerend Zijn rijpe straf erft.

Weg van andren woon ik eenzaam
In mijn mening, dat een boos stuk
Immer nieuwe misdaên voortbrengt
Trekkend naar haar eigen afkomst. ..
Van 't erelijk.gerechte huis Valt lot altijd
Tot schone zegen in zijn kindren.

Oude zonden mint te baren In der stervelingen bozen
Nieuwe schuld tot nieuwe jeugd. Vroeg of later
Als 't voortelde daglicht opgaat,
Viert de wraakgeest in de woning
Met onheilig, onverweerbaar, onbekrijgbaar tart-vertoon
't Feest van zwart Verderfs geboorte. ...
 't Kind gelijkt zijn ouders.

Maar als een lamp straalt Recht in roetberookte stede
En eert den deugdbezaden man.
Vergoud gestoelte waar onreinheid zit van handen
Laat zij met ogen afgewend
En snelt naar rein verblijf,
noch eert de macht van rijkdom Die is door schandes beeld mismerkt.

                            Alles richt zij tot zijn einde

#

Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004