ADAPA
Held van een oude Babylonische mythe, die ondanks principiële verschilpunten belang-wekkend is wegens haar verwantschap met het bijbelse Paradijsverhaal (z Adam). Deze mythe, hoewel Babylonisch naar vorm en inhoud, is gevonden in Egypte, te Tell-el-Amarna, en geschreven omstreeks 1350 v. Chr. Wij kunnen dus de gevolgtrekking maken, dat het verhaal reeds in de dagen van Mozes in Palestina en Egypte bekend was. Fragmenten van andere afschriften, zeven eeuwen jonger, zijn gevonden in de puinhopen van Ninivé. Wij zien, hoe verspreid en bekend deze mythe geweest is.
Adapa is de zoon en het schepsel van Ea, de god van de diepte en van de wijsheid. Aldaar, in de diepte, heeft Ea hem geschapen en hem zijn wijsheid verleend. Evenals zijn vader en schepper is Adapa de wijze, diep van inzicht, de leider de mensheid, de handhaver van de geboden, de gezalfde, de reine van handen.
Slechts één ding ontbreekt hem: het eeuwige leven; dat heeft god Ea hem niet kunnen of willen geven. Als priester bereidt Adapa de spijs der goden en bestuurt hij het tempelschip, om voor de eredienst van zijn vader te Eridu, te vissen en te jagen. Op een van die tochten werpt de Zuidenwind zijn boot omver en Adapa verdwijnt in de diepte. Maar de wijze weet zich te verweren, hij worstelt met de wind, die natuurlijk ook als een goddelijk wezen gedacht is en breekt hem de vleugels. Zeven dagen lang is de Zuidenwind vleugellam en kan niet waaien.
Anoe, de hemelgod, ontsteekt in toorn en roept Adapa ter verantwoording op. Voordat Adapa nu voor de rechterstoel van Anoe verschijnt, geeft zijn vader Ea hem een tweevoudige raad. Ten eerste moet hij pogen de voorspraak te winnen van twee goden, die hij aan de hemelpoort ontmoeten zal: Tammuz en Ningisjzida, beiden goden van de jonge zon en van de vegetatie, wier sterven en weder opstaan een afbeelding zijn van het sterven der natuur in de winter en van haar herleving in het voorjaar. Deze goden zullen hem helpen. De tweede raad luidt: "Als men u kleding en olie aanbiedt, kunt ge die aannemen. Maar de spijs en het water, die men u zal aanbieden, zijn spijs en water des doods. Die moet gij weigeren."
De voorspelling komt uit. Adapa ontmoet de twee goden, doet zijn verhaal en wint hun voorspraak. Zij kalmeren Anoe's toorn en brengen hem tot andere gedachten. Anoe is nu van plan aan Adapa, die de wijsheid reeds door Ea ontving, ook het eeuwige leven te verlenen. Hij biedt hem spijs des levens aan en water des levens. Door die te gebruiken zou hij onsterfelijk geworden zijn. Maar gedachtig aan de waarschuwing weigert hij, terwijl hij slechts de kleding en de zalf aanvaardt. Zo moet Adapa weer terug en heeft de kans op eeuwig leven verspeeld. Het gelukkige einde van dit verhaal wordt m.i. aangetroffen in een fragment uit de bibliotheek van koning Assurbanipal (K. 8214, vgl. K. 8743) : Adapa keert naar de hemel terug en aanvaardt thans (zoals in de lacune moet hebben gestaan) ook de levensspijs en het levenswater, waarna hij door den Hemelgod wordt bekleed met het koningschap en het priesterschap "tot in de verre toekomst".
LITT.: Vertalingen o.a. bij A. Ungnad, Die Religion der BabyIonier und Assyrer (1921), blz. 128 vv.; E. Ebeling, Texle u. Bilder zum A.T., 2. A., blz. 143 vv.; F. M. Tb. Böhl, Het verhaal van het verloren Paradijs volgen de oude Babylonische mythen (overdruk uit Bergopwaarts 1918); Th. C. Vriezen, Paradijsvoorstelling bij de oude Semietische volken (1937), blz. 69 vv.