ADDERLEY, Nat
Amerikaans Jazzmusicus (1931-2000)
* 1931 - † 4 januari, 2000
Voor velen was en bleef hij zijn leven lang het cornetspelende ‘broertje van’, te weten de show-stelende saxofonist Julian, beter bekend als ‘Cannonball’.
Van 1955-1975, het jaar waarin de laatste overleed, vormden ze samen een krachtig ’happy jazz’-team, behalve gedurende een periode waarin Cannonball bij Miles Davis speelde. Die scheiding was van zakelijke aard, namelijk een belastingschuld die ze samen hadden opgebouwd. Door zich allebei te verhuren – Nat aan trombonist J.J. Johnson en de band van Woody Herman – konden ze meer aan aflossing bij elkaar schrapen dan wanneer ze samen een kwintet leidden.
Aan die situatie kwam een eind toen eind ’59 de live-opname Cannonball Adderley Quintet in San Francisco verscheen. De op deze lp gepresenteerde jazz, sterk geënt op blues en gospel, sloeg onmiddellijk aan en markeerde een stroming die het label ‘soul jazz’ kreeg.
Het succes was niet alleen voor Cannonball, die eerder als ‘de nieuwe Charlie Parker’ was ingehaald, maar straalde ook af op Nat die vervolgens ook los van zijn broer bleek te kunnen scoren.
De titelsong van zijn lp Work Song werd namelijk zo vaak gecoverd dat hij er, zoals hij in ’95 verklaarde, eigenlijk van had kunnen leven. Dat was destijds echter niet aan de orde want het Adderley-kwintet, later uitgebreid met saxofonist Yusef Lateef en de jonge Joe Zawinul op piano, trok met verve de wereld door waarbij ook Nederland werd aangedaan.
Het succes was zo groot dat zelfs het label Capitol, rijk geworden met Nat ‘King’ Cole, Frank Sinatra en Peggy Lee, brood zag in de Adderley Brothers. Niet ten onrechte want het door Joe Zawinul geschreven ‘Mercy, Mercy, Mercy’ sloeg in de tweede helft van de jaren ’60 krachtig aan, ook bij mensen die van jazz niet veel moesten hebben.
Na het verlopen van het Capitol-contract en Cannonballs dood begon Nat met de uitdagende lp-titel Don’t look back, maar die titel bleek allerminst profetisch. Want naarmate hij ouder werd begon hij steeds meer terug te kijken. De saxofinisten die hij uitzocht voor zijn kwintetten leken zowel qua klank als frasering altijd sprekend op zijn grote broer, zo ervoeren bezoekers tijdens concerten die hij in de jaren ’90 in Nederland gaf, in het BIMhuis, het Utrechtse Vredenburg en op ‘het’ North Sea.
Het meest expliciet in zijn verwijzing naar het mooie verleden was hij op de cd Talkin’ about you, Cannon met als titelsong een vette ‘soulblues’ waar zijn broer graag zijn tanden in zou hebben gezet.
Sterven in het harnas zat er vervolgens niet in doordat hem als gevolg van suikerziekte een been moest worden afgezet. Rest de vraag of Nat Adderley ook deze eeuw blijft voortleven als iemand die voor de jazz iets heeft betekend. Niet door zijn cornetspel waarschijnlijk, al klonk hij op zijn beste dagen als een krachtige kruising van Dizzy Gillespie en Clark Terry. Maar wel door iets waarin hij al sinds de jaren ’50 beter was dan zijn volumineuze broer: het bedenken van een pakkende deun. Naast zijn ‘Work Song’ schreef hij andere stukken die iedereen zelf bedacht zou willen hebben, zoals ‘The Old Country’ en ‘Jive Samba’. Zelf hield Nathaniel Adderley zich echter niet met de eeuwigheid bezig. Hij was praktisch op het prozaïsche af; hij stond liever in de schaduw van de roem dan in het licht met lege zakken.