AERTSEN (Aertz.), Pieter
Nederlands schilder (1508-1575)
Om zijn lichaamslengte ook Lange Pier genoemd.
* 1508 of 09 te Amsterdam - † 3-06-1575, Amsterdam.
Hij was leerling van Allaert Claesz. In 1535 werd Aertsen lid van het gilde te Antwerpen;
In 1556 was hij terug in Amsterdam. Zijn oeuvre, dat zowel religieuze werken als stukken met voorstellingen
ontleend aan het volksleven omvat, vertoont naast duidelijke Noordnederlandse ook uitgesproken Vlaamse
trekken die vaak aan J.Beuckelaar doen denken. Aertsens betekenis voor de Noordnederlandse schilderkunst
is tweedelig: hij was hier de eerste schilder van het boeren- en volksleven; als schilder van stillevenmotieven
was hij een der eersten die zich toelegde op het zgn. keukenstuk. Hoe nauw deze verschillende facetten vaak
in zijn kunst vervonden zijn, laat o.a. heel duidelijk zijn Christus in het huis van Martha
Onder: Genoemd schilderij in Museum Boymans van Beuningen
De aanbidding van een herder De aanbidding van de herders
Olieverf op paneel 86,6 x 63 cm olieverf op paneel - 90 x 60 cm
Rijksmuseum Amsterdam Musée Royaux des b. Arts Rouen
Boven: boerenhuiskamer – olieverf op paneel - 140 × 198 cm,
Museum Mayer van den Bergh Antwerpen
Christus verdrijft de wisselaars uit de tempel - olieverf op paneel – 28,7 x 34 cm.
Rechts boven: De groetenverkoopster – olieverf op paneel – 137 x 95 cm – Hermitage St. Petersburg.
Ook was Aertsens een tekenaar. Zijn penseelstreek was krachtig en breed, zijn tekening verraadt een
realistische kijk op het leven, zijn kleuren zijn warm en vol (Eierdans in het Rijksmuseum te Amsterdam.
Verder werken in musea te Rotterdam, Brussel, Kopenhagen, Uppsala en Wenen.
Tekeningen in de prentenkabinetten te Amsterdam, Berlijn en Hamburg.
Literatuur:
M.J.Friedländer, Die altniederl.Malerei (1936)
G.J.Hoogewerff, De Noord-Nederlandse schilderkunst IV (1941-42).
Musée Royaux de Beau Arts Brussel Boven: opwekking van Lazerus
Onder: Maria onbevlekte ontvangenis Onder: Jezus valt onder het kruis.
paneel 16 x 12 cm uit de serie 'de kruisdood
Aertsz' Eierdans is één van de vrij onbekende schilderijen uit die zalen van het Rijksmuseum in Amsterdam,
waar we maar al te graag aan voorbij lopen om de Pieter bekendere werken van onze 17de eeuw
te gaan zien. Het schilderij ontstond in 1557, toen Aertsz na enige tientallen jaren in Antwerpen te
hebben doorgebracht, juist in zijn geboortestad was teruggekeerd. '
In Antwerpen, waar hij in 1535 lid van het Lucasgilde was geworden, had hij een
geheel nieuw genre tot ontwikkeling gebracht. Het zogenaamde "keukenstuk".
Op de voorgrond van zo'n schilderij etaleerde Aertsz onder andere groenten, vlees en vis,
broden, koeken en wafels gecombineerd met keukengerei. Vaak zó bedrieglijk realistisch
weergegeven dat de rijk beladen tafels en schalen als het ware buiten het doek steken.
Achter deze uitstallingen bevinden zich vaak welgedane, drinkende, etende of zingende
boeren in of vóór een herberg afgebeeld. Opvallend zijn de bijna altijd lage, langwerpige
formaten bij deze thema's. Het is daarom niet onmogelijk dat deze op de kap van de
16de eeuwse schouw gehangen werden.
Ook na zijn terugkeer naar Amsterdam bleef Pieter Aertsz, die ook grote altaarwerken leverde,
dit genre beoefenen. Het schilderij dat we vanavond behandelen is echter niet geheel
typerend voor deze categorie. Het geeft wel blijk van Aertsz' belangrijke plaats in de ontwikkeling
van het Hollandse stilleven.
Links op de voorgrond is een vrolijke drinker afgebeeld. Met een stenen kruik in de hand zit hij op
een houten drievoet. Een been rust op het hengsel van een bijna grijpbare rieten mand en de linkerhand
hangt niet zonder dubbelzinnige bedoelingen over de schouder van de jonge vrouw. Beiden zitten met
de rug naar een wit gedekte tafel. Aan de uitbeelding van houten borden en broden, het mes, waarvan
het heft over de tafel steekt, het metalen zoutvat en de houten tabletten, heeft de schilder duidelijk
aandacht besteed. De structuur van ieder voorwerp van dit prachtige stilleven wordt met grote finesse
gekarakteriseerd.
Een der rechthoekige houten plankjes vertoont een narrenkop, het ander een springende bok.
Het zijn waarschijnlijk twee troefkaarten uit het oude Tarokspel, dat vooral in de 16de en 17de
eeuw werd gespeeld. Dergelijke détails op een 16de eeuws schilderij werden niet zonder bedoeling geschilderd.
Voorzien van een bepaalde symbolische waarde, die in die tijd door ieder werd begrepen, droegen ze bij tot
de algemene betekenis van het schilderij. Zoals u wellicht weet is de nar met zijn bellenmuts de personificatie
van de zotheid. Dat de bok menselijke lusten symboliseert is echter in onze tijd nauwelijks meer bekend.
Ook andere toespelingen op zotheid en wellust zijn op het schilderij aan te wijzen. In het kozijn van het
venster links hangt een bruine stenen kruik met groen look erin gestoken, die zich tegen de heldere lucht
duidelijk aftekent. Ook deze kan heeft een betekenis. Op talrijke herberg-scènes van Aertsz, maar ook in
herbergen van zijn Vlaamse tijdgenoot Pieter Brueghel, komt de kruik met look voor.
Op de plavuizen van de vloer en aan de muur in ons schilderij vinden we hetzelfde blad verspreid.
De look lijkt op onze prei en ook op het loof van de ui. Volgens 15de en 16de eeuwse kruidenboeken
werden deze planten, die alle tot de "allium" familie behoren, gebruikt ter opwekking van de liefde.
Daarbij komt dat een buiten gehangen wijnkruik op zichzelf al kon duiden op een huis of herberg van verdacht allooi.
Evenmin als de pot met look is de doedelzak speler niet zonder reden in de compositie opgenomen.
In de Boerendansen en -bruiloften van Pieter Brueghel werd, zoals we tegenwoordig weten, de liederlijke
en zondige mens aan de kaak gesteld.
Op al dergelijke taferelen nu neemt de doedelzakker, wiens instrument duidelijk erotische associaties opriep,
een opvallende plaats in. Een ander belangrijk element in de voorstelling, rechts van de schouw, is de haspel,
een voorwerp waarop de pas gesponnen draad gewikkeld wordt. Zijn onregelmatige vorm -een houten stok met
aan beide uiteinden haaks ten opzichte van elkaar gestelde dwarsstukken, is vergelijkbaar met een scheepsanker.
Stellig is hier een toespeling gemaakt op de 16de eeuwse zegswijze "zo zot als een haspel zijn". Deze uitdrukking
moet tenslotte bovendien rechtstreeks betrokken worden op een van de hoofdrolspelers van het tafereel, de eierdanser.
Temidden van de look, de prei, de uienbloemen, de gebroken eierschalen en lege mosselen, zijn afgelegde zwaard,
de muts en de klompen, hinkelt hij rond de krijtstreep, die op de stenen vloer is getrokken. De folkloristische eierdans,
die tijdens lentefeesten werd uitgevoerd, eiste bijzondere behendigheid. Rond een krijt cirkel, waarbinnen op een
omgekeerde houten nap een ei was neergelegd, moest de danser hinkelen en met een lichte duw van zijn voet de
houten nap wegschuiven, zonder de verspreide bladeren en bloemen en andere voorwerpen te mogen raken.
Het ei moest op de grond vallen, maar mocht niet breken. Op de muziek huppelend diende hij vervolgens het
weggerolde ei -nog steeds zonder enig ander voorwerp op de vloer aan te raken -binnen de krijtkring terug te brengen.
Waarna hij tenslotte met beide voeten de omgekeerde nap over het ei had te leggen. De geen die dit volbracht,
had een prijs gewonnen.
In de 16de eeuw golden zowel ei als mossel, net als look en ui, vanwege hun liefde opwekkende eigenschappen,
als symbolen van onkuisheid. In het algemeen kon de dans als een zondige bezigheid beschouwd worden.
Gravures uit de tijd van Brueghel en Aertsz met Zottendansen, dansers met narrenkappen op het hoofd,
werden bijvoorbeeld van de volgende tekst voorzien:
Den hoop der sotten is sonder ghetal
Want elk volght sijn wellusticheyd overal
Wie mate en reghel can houwen in alle dinghen
Die mach desen dans der sotten ontspringhen
In dit beeld is de mens een dwaas, die aan verleidingen geen weerstand kan bieden.
Het dansen, hier het dansen over de eieren, is een van die eigenschappen van de mens,
die hem verhinderen de matigheid te betrachten.
Een aantal regels van een anonieme Vlaamse schrijver zijn met onze eierdans in verband te brengen:
Tis al sot soo men wel mach aenschouwen hier,
Soo de oude pijnen en singhen, oock deze jonge sotkens fier
Over het eijkens danssen, seer licht van sinne"
De ouden die "pijpen en singhen" vinden we terug in Aertsz' doedelzakspeler en de oude vrouw,
terwijl zijn danser herinnert aan de zinsnede, waarin de jonge zotten fier over de eieren dansen.
De man, de vrouwen het jonge kind, die rechts in de deuropening staan, vormen een raadselachtig détail.
Misschien leert de vrouw met haar opgeheven vinger het kind waartoe deze zotheid kan leiden.
Ook op verscheidene andere schilderijen van Pieter Aertsz komen groepjes mensen in de achtergrond voor,
wier aanwezigheid moeilijk in verband met de hoofdvoorstelling is te brengen.
Nu ik dan hiermee heb getracht de duidelijk moraliserende strekking van het schilderij toe te lichten,
zijn de grote artistieke kwaliteiten van Aertsz' werk wel op de achtergrond geraakt. In die tijd had een
schilderij bovenal een lerende functie. Het kleurgevoel van de kunstenaar en zijn gave voor het
plaatsen van de figuren in een ruimte, kwaliteiten waarvan we nu zo kunnen genieten, waren toen
ondergeschikt aan de idee, die schilder en opdrachtgever in een dergelijk werk wilden leggen en herkennen.
Onder: Een Kannekijker flirting met de keukenmeid, met ouderen aan het vuur
Olieverf op een paneel 114,6 x 193,8 cm
Christus verdrijft de wissellaars uit de temple – 1604 – olieverf op paneel –
93 x 124 cm.
Apostelen Peterus en Johannes – Olie op hout – 55½ x 76 cm
De Hermitage, St. Petersburg