ADAMS, John (3)
2de president der Verenigde Staten (1735-1926)
* 19.10.1735 Braintree (nu: Quincy) - † 4.7.1826 aldaar.
Adams studeerde rechten, hij speelde als advocaat een belangrijke rol in het anti-Engelse verzet in Boston.
John Adams assisteerde Franklin tijdens diens Europese missies; hij onderhandelde in 1781 te Amsterdam,
als eerste Amerikaanse gezant, voor steun aan de Amerikaanse opstand.
Hij nam deel aan de voorafgaande besprekingen voor een verdrag in 1782, dat tot de Amerikaanse onafhankelijkheid leidde.
Zijn werk Defence of the constitutions of government of the United States of Amerjca (1787) had grote invloed
op het tot stand komen van de grondwet in dat zelfde jaar.
Hij was voorstander van een aristocratische regeringsvorm (d.w.z. zeer sterk centraal gezag) en federalist.
In 1796 werd Adams tot president van de Verenigde Staten gekozen. In deze hoedanigheid verloor hij veel van
zijn populariteit door zijn wetgeving tegen (ongewenste) vreemdelingen, Alien Act, alsmede door zijn vredelievende politiek
jegens Frankrijk. Hij werd bij de verkiezingen van 1800 door Jefferson verslagen.
LITT.: P. Smith, John Adams (1962); G. Chinard, Honest J. Adams (1964); J.R. Howe,
The changing political thought of J. Adams (1966); F.M. Binder, The color problem as viewed by J. Adams,
Jefferson and Jackson (1968). The Adams papers. Diary and autobiography of John Adams (Cambridge. Massachusetts. 1961).
P. Smith, John Adams (Garden City, New York, 1962). -G. Chinard, Honest John Adams (Boston-Toronto 1964). -E. Handier, America and Europe jn the political thought of John Adams (Cambridge, Massachusetts, 1964). -S.F. Bemis, John Quincy Adams and the foundations of American foreign policy (New York 1965). -J.R. Howe jr., The changing political thought of John Adams (Princeton, New Jersey, 1966).
John Adams. naar een portret door Edgar Parker (1878; White House Historical Association. Washington D.C.).
Literatuur:
1964 - November - Nat. Geographic ***
- John Adams, second president
Een Amerikaanse heer In de Nederlanden
DE OPSTAND van de Amerikaanse koloniën tegen Groot-Brittannië ging al het derde jaar in toen John Adams, advocaat, politicus en sinds kort diplomaat, een nieuw en beslissend hoofdstuk opende in de strijd om Amerika's onafhankelijkheid. Frankrijk had van het begin af hulp geboden, dat de Engelse aartsvijand verwikkeld was in een kostbare en langdurige oorlog kwam hun goed te pas, maar in de strijd tegen de Britse overmacht zocht Amerika nu nieuwe bondgenoten.
Adams besloot te proberen de Nederlanders te bewegen tot financiële steun aan de opstandige koloniën en tot erkenning van Amerika als onafhankelijke staat. Het is nu tweehonderd jaar geleden dat, op 8 oktober 1782, tussen de republieken van de Verenigde Nederlanden en de Verenigde Staten een verdrag van vriendschap en handel tot stand kwam. Hieronder volgt een verslag van John Adams' succesvolle missie.
OP 4 AUGUSTUS 1780 stapte een corpulente heer van 44 jaar, nog stijf van de lange reis uit Antwerpen, op de Zuidblaak in Rotterdam uit een gehuurde koets.
De felle ogen in ronde gezicht monsterden de gevels langs de met bomen beplante kade. Toen stapte hij de herberg Le Maréchal de Turenne binnen en noemde zijn naam: "John Adams uit de Amerikaanse, staat Massachusetts. Ik kom net uit Parijs met mijn twee zoons."
Van Rotterdam reisde Adams met zijn jongens, de 12-jarige John Quincy en de 9-jarige Charles, naar Delft, ‘‘s-Gravenhage en Leiden, gebruik makend van dat typisch Nederlandse vervoermiddel, de trekschuit. Op 10 augustus kwamen ze aan in Amsterdam, waar ze hun intrek namen bij de weduwe Schorn op de hoek van de Oudezijds Ach- terburgwal en de Hoogstraat. Ondanks problemen met de taal voelde Adams zich al gauw thuis in Holland.
Onder: de Latijnse school aan de Singel te Amsterdam (links), waar zijn kinderen John Quincy en Charles op school gingen.
"Ik betwijfel of er in Europa een achtenswaardiger natie is te vinden dan de Nederlanders," schreef hij. "Hun ijver en handelsgeest zouden de hele wereld ten voorbeeld kunnen strekken."
In de Britse koloniën in Amerika, had Adams sedert de aanvang van de opstand tot de belangrijkste figuren in het Continentale Congres behoord. In zijn brochures had hij briljante pleidooien gehouden ten gunste van de zelfstandigheid van de koloniën en hij had een doorslaggevende rol gespeeld bij het opstellen van de Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776. In de herfst van 1779 had het Congres hem naar Parijs gezonden om deel uit te maken van het Amerikaanse gezantschap daar.
Maar in Parijs, waar Benjamin Franklin de Amerikaanse belangen officieel behartigde, had Adams niet veel kunnen bereiken.
De Fransen steunden weliswaar de Amerikaanse oorlogsinspanning, maar ze probeerden op alle mogelijke manieren de Amerikaanse buitenlandse politiek te beïnvloeden. Franklin nam daar genoegen mee, Adams niet. Hij achtte het ongewenst al te zeer afhankelijk te worden van een Frankrijk dat naar zijn mening de koloniën gebruikte als een stok om de Britten mee te slaan, ten voordele van de Fransen.
Adams besloot op eigen kosten naar de Nederlanden te reizen, in zijn ogen de belangrijkste staat om voor de Amerikaanse zaak te winnen.
Op zoek naar financiële steun voor de opstandige koloniën behoorde Adams al gauw tot de geregelde bezoekers van de bankiers Nicolaas en Jacob van Staphorst; ook raakte hij bevriend met leden van de oppositiepartij, de patriotten, mensen als Joan Derk van der Capellen tot den Poll, statenlid voor Overijssel' Johan Luzac, redacteuruitgever van de gezaghebbende Gazet de Leyde en dominee Frans Adriaan van der Kemp.
De meeste Nederlanders die hij ontmoette wisten weinig of niets over de jonge staat aan de overkant van de oceaan. Telkens weer wilden ze Adams horen vertellen over de "wilden" in zijn land. Maar zodra hij over een mogelijke lening begon, stokten de gesprekken. De bankiers en de kooplui voelden er weinig voor geld te steken in zo'n verre en onzekere onderneming. Bovendien waren de stadhouders, de Oranjes, verwant aan het Engelse koninklijke huis en wilden liever vrienden blijven met hun familieleden. "Mij liet de memorie drukken en verspreiden. Niet al zijn lezers reageerden gunstig. Sommigen beschouwden Amerika als een toekomstige concurrent, anderen meenden dat Amerika wel altijd een landbouwstaat zou blijven die nooit kredietwaardig zou worden. Er ontstonden lange discussies tussen voor- en tegenstanders, zonder duidelijk resultaat.
Onder: Op de Fluwelenburgwal in den Haag was de eerste ambassade van de V.S. Het oorspronkelijke gebouw werd in 1830 afgebroken.
Nu is er de Staatsdrukkerij er gevestigd.
Het gebrek aan enthousiasme bij de autoriteiten was begrijpelijk. De berichten die in het voorjaar van 1781 binnenkwamen over het verloop van de onafhankelijk-heidsstrijd waren weinig bemoedigend. St. Eustatius, het Nederlandse fort in de Caribische Zee dat al jaren de basis was geweest voor sluikhandel met Amerika, was veroverd door de Engelsen. "Dit nieuws heeft de Nederlanders in hoge mate terneergeslagen," schreef Adam's oudste zoon, John Quincy. Maar de herfst van 1781 bracht een ommekeer in de opvattingen van de Republiek. De oorlog verliep nog steeds slecht voor de opstandige koloniën en anti Oranjegezinde elementen begonnen de stadhouder en diens politieke volgelingen er nu openlijk verwijten van te maken dat er niets was ondernomen om de Amerikaanse Zaak te steunen.
In de nacht van de 26ste september werd in verschillende steden een pamflet verspreid, getiteld Aan het volk van Nederland, waarin de burgerij werd aangespoord om de macht te grijpen. Twee maanden later ontving John Adams bericht dat Franse en Amerikaanse troepen de Engelse generaal Cornwallis hadden verslagen bij Yorktown en hem en zijn 7000 manschappen tot overgave hadden gedwongen.
De overwinning betekende een keerpunt in de Onafhankelijkheidsoorlog. Het gewicht van die tijding ontging de Nederlanders niet. ..Dit land begint ons voor vol aan te zien," schreef Adams.
Het resultaat bleek al gauw. Op 28 februari 1782 gaven de Staten van Friesland hun afgevaardigden naar de Staten-Generaal opdracht .'om het daarheen te dirigeren dat ged. Heer Adams met den eersten als minister van het Congres van Noord-Amerika wordt toegelaten." Adams was in jubelstemming.
Hij kocht nu een voornaam pand aan de Fluwelen Burgwal in Den Haag dat dienst kon doen als ambassade van de Verenigde Staten: de eerste Amerikaanse ambassade ter wereld. Op 22 maart schreef hij zijn vrouw Abigail, Uw dienstwillige dienaar is de laatste tijd in dit land zeer in aanzien gestegen. Niemand is zo belangrijk als Mijnheer Adams. In elke stad, in elke provincie weerklinkt het Mijnheer Adams, en als ik de toestand hier moest schatten zou ik menen binnen enkele weken met grote luister in 's-Gravenhage te worden ontvangen."
Weldra werden overal in de Republiek verzoekschriften ingediend waarin bij de autoriteiten werd aangedrongen op erkenning van Amerika. Een van de argumenten was nu dat erkenning gunstig zou zijn voor de Nederlandse economie omdat er een toename van de handel van te verwachten viel. Een Overijsselse koopman schreef in zijn dagboek: “Ik heb reeds enig ledig liggend geld besteed aan de aankoop van groove linnens en heb er nog enige honderden stuks van gecommandeerd om, zodra het traktaat getroffen zal zijn, direct naar Noord-Amerika te verzenden. Een neef van mij te Delft laat enige duizenden wollen dekens met hetzelfde oogmerk in gereedheid brengen."
Op 19 april, een jaar na de indiening van mijn memorie, besloten de Staten-Generaal dat "de heer Adams zal worden toegelaten en erkend als ambassadeur van de Verenigde Staten van Noord-Amerika bij Hunne Hoogmogendheden." Het besluit werd gevolgd door een audiëntie bij de prins van Oranje. Adams overhandigde zijn geloofsbrieven en de stadhouder onderhield zich geruime tijd op minzame toon met hem, in het Engels.
Onder: Interieur van de Treveszaal waar het verdrag werd ondertekend.
Na de erkenning werd een commissie benoemd om een verdrag van vriendschap en handel op te stellen. Adams had een ontwerp gemaakt en aan de commissie voorgelegd, maar het kostte de nodige tijd voor alle details waren geregeld. "Ik bevind me onder mensen wier traagheid mijn geduld op een zware proef stelt," schreef Adams. "Ik houd echter van dit land, omdat het zijn vrijheid hoogschat. Het sturen van deze natie in de gewenste richting was een hachelijke zaak vanwege de betrekkingen met Engeland, de invloed van het hof aldaar, de intriges van buitenlandse hoven etc. Het heeft van hun patriotten het uiterste aan bekwaamheid, toewijding en overredingskunst gevergd om aansluiting bij Engeland te voorkomen.
En het zou nooit zijn gelukt als niet hun lang sluimerende moed en vrijheidsliefde tot leven waren gewekt."
Onder: Het Huis ten Bosch waar de verdragen van vriendschap en handel gesloten werd. Het werd ondertekend in de Treverszaal op het binnen hof.
De onderhandelingen over de lening verliepen moeizaam en het kostte Adams enige weken om met een consortium van Vier bankiers huizen, Willink, Van Staphorst, De la Lande en Fijnje, tot overeenstemming te komen over een lening van 5 miljoen gulden tegen een rente van 4½ percent. In 1794 hadden de Verenigde Staten een buitenlandse schuld van 30 miljoen gulden, geheel gefinancierd door Nederland.