ADAMA van SCHELTEMA, Carel Steven
Nederlands schrijver (1877-1924)
* 26.2.1877 Amsterdam - † t6.5.1924 Bergen.
Na enige tijd medicijnen gestudeerd te hebben, zag hij van deze studie af.
Hij verbond zich korte tijd aan de Nederlandsche Toneelvereeniging en was eveneens eem korte tijd werkzaam in een kunsthandel en vestigde zich, na een verblijf in het buitenland, in 1913 te Bergen (NH). In de jaren 1900 en 1901 had hij al Een weg van verzen en Uit den dool gepubliceerd, twee bundels sonnetten, die gekenmerkt werden door hun traditionele en weinig persoonlijke vormgeving.
In zijn werk komt een eenzijdig, oppervlakkig en idealistisch socialisme naar voren (Socialisten-marsch, gedicht).
Zijn latere bundels (Zwerversleven, 1904; Eenzame liedjes, 1906; Zingende stemmen, 1916; De keerende kudde, 1920) hadden met het socialisme weinig meer te maken en zij spraken aan door hun eenvoud en menselijkheid, door hun melancholie enerzijds en hun blijmoedigheid anderzijds.
In zijn theoretische werken bestreed hij de ivoren-torenkunst van de Tachtigers.
In 1962 verscheen de laatste druk van zijn verzamelde gedichten.
LITT.: G. Stuiveling, Adama van Scheltema en zijn tekort (1950); F. Drost, C.S. Adama van Schelterna (1952; met bibbl.),
Onderstaand enige gedichten van zijn hand:
HERFSTMUZIEK.
De Herfst is het lied van herinnering ,
Hij vlecht om uw voorhoofd de gele laurier,
Hij strooit voor uw voeten de zoete vlier,
Door uw ziel gaat een siddering.
Uw hart is een viool,
De Herfst vaart zachtjes door de snaren,
Verlaten kind, keer tot de menschen weer!
De herfstwind zingt van een verloren ding,
Bij u weent hij aan een gebroken klavier,
Uw oogen zijn goud van zijn gulden vier,
Om uw mond is een tinteling.
De vlam die in u school
Is uit uw open hart gevaren,
Verlaten kind, keer tot de menschen weer!
Het herfstlied beklaagt u, o sterveling !
Ach! lees niet in zijn geel geworden brevier,
Zoek nimmer naar het drooggewaaide wier
Langs de stranden, -o zwerveling !
Uw pad daalt uit den dool
Omlaag langs goud-gevallen blaren,
Verlaten kind, keer tot de menschen weer!
AVO ND GE BED.
De avond is gevallen,
De dag gaat dood,
De boomen worden allen Wonderlijk groot.
In de verte, in de landen,
Daar ligt wat goud, -
De nacht maakt onze handen Zoo stil -zoo oud.
Schoonheid hebt gij ons leven
Eenmaal gekust,
Dan gaan wij t'avond even
Zwijgend te rust.
DE SLAPENDE ZWERVER.
Toen 's middags nog 't loof van de boomen,
En de aard nog, van de zon genoot,
Hield ik mijn oogen niet meer wakker:
Ik lei mij aan een stillen akker,
Om daar te slapen en te droomen
Als ééns, vroeger, aan moeders schoot.
De warme lichte hemel straalde
Nog heel de wijde wereld rond,
En door mijn dichtgeloken oogen
Zag 'k hoe hij bij mij stond gebogen,
Hoe 'n glimlach tot mij nederdaalde
Als ééns, vroeger, van moeders mond.
De bloemen gingen heen en weder,
De slaperige zoele wind
Ruischte zoo fluistrend door de blaren,
Ging zingend door de korenaren
Hij zong zoo zacht -zoo heerlijk teeder
Als ééns mijn moeder voor haar kind.
Zijn adem kwam van 't hooge loover,
En toen hij door de zaadjes zocht
Vond hij mij droomend daar beneden: -
Hij nam mijn hart toevallig mede,
En blies 't met hen de wereld over –
Als moeders laatste ademtocht.
En 'k vloog en droomde over de dalen –
En 'k zag weer dat betooverd veld,
En weer die reuzen en die dwergen,
En die kasteelen op de bergen,
En al die wondere verhalen -
Door moeder ééns, vroeger, verteld.
Toen was 't of van ode donkre landen .
De hemel immer verder week –
De koele avond kwam mij wekken,
En met haar witte dauw bedekken
Alsof met hare bleeke handen
Moeder mij weder wakker streek.
En 'k zonk zoo diep -diep in de aarde
Tot 'k in het donker wakker lag
Boven mijn hoofd stonden de sterren -
Zoo zacht, zoo vriendlijk - ach! zoo verre,
Dat 'k weifelend naar boven staarde
Of ik in moeders oogen zag.
AAN HEN!
Aan hen die eenzaam door het leven gaan,
Die met hun warme hongerige borsten
Een echo zochten in hun eng bestaan -
En toch niet zoeken en niet leven dorsten –
En met hun hunkerende hart vergaan -!
Aan hen die eens, vloekend aan 't licht gebracht,
Met stralen om hun slapen zijn geboren -
Doch door hun medeschepselen veracht,
De vlammen van hun vurig hoofd verloren –
En tasten door een wankelende nacht -!
Aan hen die heimelijk geteekend zijn -
Die in hun hart een diepe schaduw dragen,
Maar in hun geest een dubbel-lichte schijn -
Die zwijgend aan 't vergeefsche leven vragen
Voldoening voor hun vruchtelooze pijn -!
Aan hen die met het bleeke morgenlicht
Eenzaam hun leege bed zuchtend verlaten –
En als de lijdensdag weer is verricht,
Zich met hun wonden hulploos nederlaten –
Van 't leven weg met hun stille gezicht -!
Aan hen voor wie het leven is voorbij-
Gegaan -en die nimmer meer hopen mogen –
En zij die zwijgend zinken -zij -en zij
De starenden -en zij met blinde oogen –
Aan hen -aan hen -mijn machtloos medelij !
HOLLAND
Wat zijt gij klein Holland
Met al uw velden en vlakke wegen, ,
Met uw rampzalige aardappellanden,
En uw vreeslijk droefgeestige regen,
En uw lage goedaardige stranden –
Maar groot toch is de zee Holland
Waaraan gij langzaam zijt verschenen,
Waaruit ge als een schelp zijt geboren,
Die zingt door uw heele land henen
Dat elk in zijn ziel haar kan hooren.
Doch wat zijt gij klein Holland
Met uw simpele wilgeboomen,
Met al uw kleine kabblende plassen,
En die paar platte gemakklijke stroomen,
En uw bloemen en tamme gewassen –
Maar groot toch is uw hemel Holland
Met zijne matelooze klaarten,
Met al zijn oneindige kleuren,
En die verandrende wolkengevaarten
Waarmee groote dingen gebeuren.
Doch wat zijt gij klein Holland
Met uw verlegen zwijgende menschen,
En al uw langzame stille levens,
En al uw vele denkbeeldige grenzen,
En o! met nergens ooit iets verhevens –
Maar groot toch is uw volk Holland,
Verwant aan uw heerlijk verleden,
Dat tusschen uw hemele' en zeeën bleef groeien,
En tusschen die wisslende eeuwigheden
Zich bereidt om opnieuw te gaan bloeien!
DE NACHT.
Om het open raam lag de ledige donkere wereld,
En ik stond vóór haar, eenzaam en naakt,
En alleen met den nacht.
Over mij ruischte al 't onzienbare loover
En bewogen de kronen van duistere eiken –
Die waren ouder dan ik.
Aan de oneindige windrige hemel
Dreven twee vale vlekken van sterren –
Van verre werelden.
En om mij stonden de donkere klompen
Van groote eenzame geboomten -
Grooter- eenzamer dan ik.
Toen woei 't aan mijn vleesch en bleeke leden,
En ik voelde mij oud en deemoedig -
En één van zoovelen.
En ik luisterde en boog naar de winden: -
Die liepen langzaam door de eeuwigheid heen –
En ik zweeg en bleef achter. -
En toen ik weer zag in die nachtlijke ruimten,
Hing de onpeilbare hemel op eenmaal
Vol heldere sterren !