ACOSTA (da costa), Uriël (Gabriël).
Portugees joods theoloog (1585-1640)
* ca. 1585 Oporto - † 1640 Amsterdam.
Hij was de zoon van ouders die van joods katholiek geworden wa ren. Hij werd opgeleid tot rooms-katholiek geestelijke en was jaren schatbewaarder van de kathedraal van Oporto. Hij ging twijfelen aan de grondslagen van het christelijk geloof en ging samen met zijn moeder en zijn broers weer terug naar het jodendom. Omdat ze in Portugal niet meer veilig waren, gingen ze ca. 1615 naar Amsterdam. Hij liet zich besnijden en werd lid van de joodse gemeente. Hij vond daar echter een jodendom van de rabbijnen, dat niet in overeenstemming was met zijn bijbels zicht op het jodendom. omdat hij zijn meningen en twijfels over de onsterfelijkheid openlijk verkondigde, werd hij door de rabbijnen in de ban gedaan. Op last van het stadsbestuur van Amsterdam werden zijn geschriften verbrand en hij werd zelf gevangen gezet.
In 1633 herriep hij zijn leer en beleed openlijk zijn zonden. Hij bleef echter als ketter verdacht en kort daarna werd hem een nog zwaardere ban opgelegd. Gedwongen door armoede en vervolging onderwierp hij zich in 1640 voor de tweede keer.
Omdat hij door de dood van zijn vrouw nog eenzamer was geworden, maakte hij in datzelfde jaar een eind aan zijn leven. Kort voor zijn dood beschreef hij zijn leven in Exemplar humanae vitae (Beeld van een menselijk leven), dat eerst in 1687 werd uitgegeven. Zijn rusteloos zoeken naar de waarheid en zijn strijd tegen de onverdraagzaamheid, heeft later dichters en schrijvers tot romans en toneelstukken geïnspireerd, o.a. Gutzkow, met zijn novelle: Der Sadduzäer von Amsterdam (1834) en zijn drama: Uriël Acosta (1847).
LITT.: C. Gebhardt, Die Schriften des Uriel da Costa (met inl. en vert. 1922); F. Brugmans, Geschiedenis der Joden in Nederland (1940).