ACHTERBERG, Gerrit
Nederlands dichter (1905-1965)
* 20.05.-1905 Langbroek - † 17.1.1965, Leusden
Hij was van calvinistische boerenafkomst, enige tijd werkzaam als onderwijzer, maar wijdde zich na de jaren 30 geheel aan zijn dichterschap.
Zijn eerste gedichten (vooral liefdesgedichten) bundelde hij samen met die van zijn jeugdvriend Dekker in De zangen van twee twintigers (1924),maar zijn officiële debuut maakte hij in 1926 in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift met Strophen I, II en III, later gebundeld in Afvaart (1931). De gedichten vielen op door hun vrije bouw en origineel taalgebruik, een eerste stap op weg naar de moderne poëzie. In de acht jaren voor het publiceren van zijn tweede bundel Eiland der ziel (1939) vond een tragisch voorval plaats: in 1937 doodde hij in een hooglopend conflict zijn hospita, waarvoor hij op grond van zijn psychische structuur ter beschikking van de regering werd gesteld.
Het zgn. centrale thema in Achterbergs poëzie: het in zijn gedichten oproepen van een gestorven geliefde, is veelvuldig in verband gebracht met dit drama.
De juistheid hiervan moet echter worden betwijfeld, omdat het slachtoffer zijn geliefde niet was èn omdat hij dit thema al in Afvaart (1931) gebruikte. Ook zijn gedichten na 1939 worden door dit hoofdmotief geken-merkt. Vooral de thema's van het schuldgevoel, het tot leven wekken van de dode en de hereniging met de dode treden hierin sterk op de voorgrond.
Met name sommige sprookjesmotieven leenden zich hier uitstekend voor (Doornroosje, 1947; Sneeuwitje, 1949).
Achterberg bedient zich in zijn gedichten vaak van termen uit de technisch-wetenschappelijke wereld (Osmose, 1941, Radar, 1946, Energie, 1946), waarmee hij een brug wilde slaan tussen zichzelf, zijn 'ik' en de verloren andere.
In zijn latere werken treedt een grotere gevarieerdheid van thema's op en krijgen ook 'gewonere' onderwerpen de aandacht (Ode aan Den Haag, 1953; Autodroom, 1954), Achterberg wordt algemeen beschouwd als een van Nederlands grootste dichters, wat ook tot uitdrukking kwam door het feit dat hij als eerste dichter in 1950 werd bekroond met de P.C.Hooftprijs. In 1959 ontving hij ook de Constantijn Huygensprijs.
Achterberg heeft met zijn poëzie grote invloed uitgeoefend op de jongere dichters. Zijn werk is in verschillende talen vertaald, o.a. in het Spaans en het Frans. Achterberg bracht zijn werk zeer regelmatig bijeen in verzamelbundels die hij Cryptogamen noemde: Cryptogamen (1946), Oude Cryptogamen (1951), Cryptogamen III (1954) en Cryptogamen IV (1961), Deze 4 delen werden in 1963 samengevoegd in Verzamelde Gedichten.
Andere werken:
Eurydice (1944), Limiet (1945), En jezus schreef in 't zand (1947), Hoonte (1949), Ballade van de gasfitter (1953), Voorbij de laatste stad (1955), Spel van de wilde jacht (1957), Vergeetboek (1961); Blauwzuur (1969, posthuum),
Literatuur:
F.Sierksma e.a., Commentaar op Achterberg (1948)
R.P.Meijer, Contribution to the study of the poetry of G.Achterberg (diss.1958); De Gids (1962), 3; Maatstaf 1964, 10-11; W.Hazeu, Dichter bij Achterberg (1965, met bibl.); B.Bakker e.a. Nieuw komentaar op Achterberg (1966); A.F.Ruitenberg-De Wit, Formule in den morgenstond (1968)